Columns

De Koning van Wezel
Ome Gerard

Auteur Jan Ruigrok
Datum 06/02/2019

In zijn eerste column van 2019 in De Oud Rotterdammer, dé gratis krant voor de 50-plusser, besprak columnist Gerard, ’t Is weer voorbij die mooie zomer, Cox, het verloop van de nieuwjaarsnacht in 010. ‘Waarom’, zo schreef ome Gerard, ‘lezen wij niet wie dat zijn, die luitjes die met vuurwerk gooien naar nota bene ambulancepersoneel? Je maakt mij niet wijs dat dat Nederlanders zijn. Zijn het soms figuren met een niet-Nederlandse achtergrond zoals dat zoals dat tegenwoordig zo schijterig heet’?
Ome Gerard raakt een beetje de weg kwijt, geeft regelmatig zijn bek een zwaai en we laten hem maar lekker kletsen. Niet druk over maken. Wat mij wel ergerde was dat zo’n blad hem de ruimte geeft om met zijn columnnistische incontinentie in onze stad tegen mensen mekaar op te zetten. Ik mailde een briefje aan de redactie met het verzoek hem ergens anders zijn gal te laten spuien. Over en uit. Dacht ik.
Tot ik op de zondag daarna, terwijl ik mijn Feyenoordshawl om mijn nek aan het draperen was een bericht van Pleun kreeg. ‘ ‘k Las je ingezonden brief in de Oud Rotterdammer, met je eens’, appte hij. Het stoom kwam uit mijn oren: hadden die redactiemalloten zonder toestemming mijn brief in hun armzalige krantje gepubliceerd! Waar halen ze het gore lef vandaan…? Later realiseerde ik me dat die boosheid uit pure angst voortkwam. Angst om in het huidig tijdsgewricht mijn mening over een gevoelig thema met naam en toenaam in een oplage van 122.000 exemplaren de wereld in te gooien. Voor je weet krijg je hordes malloten achter je aan… ‘Valt wel mee’, suste Pleun, ‘jouw brief staat tussen een aantal identieke, gevolgd door een redactioneel commentaar.’

Op weg naar de Kuip fietste ik nog even langs het Maasstad Ziekenhuis om wat Oud Rotterdammers uit het mandje bij de receptie te vissen. Het bleek inderdaad mee te vallen. Toen ik overigens later een aanzet maakte om deze zin tegen mijn maat Matthijs te vertellen, nam hij die na het woordje ‘om’ van me over: ‘om als ouwe blanke man wat ambulancepersoneel in elkaar te rammen slaan en zo de boel in evenwicht te brengen’, maakte hij ervan. ‘ ’t Zou voor dat evenwicht nog mooier zijn als die ambulancebroeders Marokkanen zouden zijn’, vulde hij aan.
Maar goed, ik kon leven met de weergave van mijn brief, was de boel snel vergeten en verloor me in de euforie van de verpulvering van Ajax met 6-2. Dat de uitslag correspondeerde met de datum van mijn verjaardag, was een toeval dat het cadeau er nog mooier op maakte.

Op maandag genoot ik aan de leestafel op de sportschool van de Telegraaf. Geen groter genot dan in een Amsterdamse krant het verslag van deze Klassieker te lezen. ‘Heeft u het andere katern al uit?’, vroeg een stem achter me. ‘Ja, hoor, neem maar mee’, zei ik. Ik pakte het katern, draaide me om, bood het de vrager aan en keek recht in de ogen van, jawel, ome Gerard. Flabbergasted was ik. Hoe groot is statisch de kans dat je voor het eerst in je leven aangesproken wordt door Gerard Cox, juist in de week dat je hem in een ingezonden brief te kakken hebt gezet?
‘Toeval is logisch’, zou Johan Cruijff zeggen. Dit toeval zette mij voor een keus waar ik niet niet op kon reageren. Ik kon de dialoog met ome Gerard aangaan, daar glorieus uit komen of als verliezer ten prooi vallen aan een van de grootste kleinkunstartiesten van de vorige eeuw. Of ik kon vluchten en daarmee bij voorbaat afstand nemen van eer en glorie die mogelijk in het verschiet zouden liggen en daar tot in lengte van dagen spijt van hebben.
Het irritante van de situatie was dat ome Gerard een paar tafeltjes verder ging zitten lunchen waarmee hij voor mij het nemen van een beslissing absoluut onontkoombaar maakte. Alle argumenten om hem wel of niet aan te spreken en mezelf voor te stellen als de ingezonden brievenschrijver, maalden door mijn hoofd. Zoals vaker bij grote levensvragen appte ik ook deze naar mijn vrouw die ik bij levensdilemma’s graag als persoonlijk orakel mag aanspreken. ‘Alles waar je energie in stopt wordt groter’, kreeg ik als antwoord en met een glimlach liet ik deze wijsheid indalen en zakte gelukzalig achterover. Lekker niks doen, dus. Tot ik me realiseerde dat je energie kunt stoppen in conflicten en tegenstellingen, maar ook in verbinding en contact. Mijn gemoedsrust smolt als een sneeuwpop waar een emmer heet water over werd uitgestort en ik realiseerde me eens te meer het maken van een keus onontkoombaar was. Ken U zelve, staat er boven het orakel van Delphi. Ik moest nog even verder zoeken.

Voor meer De Koning van Wezel columns ga naar: Publicaties > Columns

 

« terug

De wet van de zwetende ruggen Artikelen Jan Ruigrok
Ome Gerard Columns Jan Ruigrok